In het kort
Nu keert Marston terug bij de nare emoties. Zijn grote inzicht: woede, angst, jaloezie en haat zijn geen aparte krachten. Het zijn vier varianten van hetzelfde probleem, een drijfveer die op de verkeerde plek staat.
Woede is dominantie die zich vastbijt in iets onoverwinnelijks. Angst is daadkracht die zich onderwerpt aan de dreiging in plaats van andersom. Jaloezie is te veel overgave. Haat is invloed die weigert te buigen.
Een doelmatig samenspel van dominantie en conformiteit vraagt een vaste verhouding tussen die twee. Conformiteit is de voorbereidende reactie, de eerste helper van dominantie. Ze kiest het beste deel van het bewegingszelf uit om te versterken, en werkt als een overloopklep voor te heftige tegenwerkende prikkels. Om die rol te vervullen moet conformiteit voorafgaan aan een compenserende dominantie, en moet ze aan die dominantie zijn aangepast, die het organisme naar zijn natuurlijke evenwicht terugbrengt.
Sherrington vond onlangs geen tonische versterking in de buigspieren van ledematen waarvan de natuurlijke houding tegen de zwaartekracht door de strekspieren wordt bewaard. Conformiteit moet dus eerst de gewone ontlading naar de strekspier remmen en dan de buigspier samentrekken. Die buiging brengt het lidmaat in een onnatuurlijke stand, ongeschikt om rechtop te blijven. Wordt die conformiteit niet gecompenseerd en beeindigd door een gelijke, tegengestelde dominantie, dan kan het dier niet meer staan. Conformiteit mag dus alleen optreden in een lidmaat waarvan de reactie tijdelijk door de andere ledematen in evenwicht wordt gehouden, en mag alleen zover gaan als het meest doelmatig is voor de dominantie die erop volgt. Kortom, dominantie mag nooit worden aangepast aan een conformiteit die erop volgt en die haar stuurt, zonder verlies van evenwicht voor het hele organisme. Conformiteit moet altijd aan dominantie worden aangepast, nooit andersom.
De normale, doelmatige verhouding tussen deze twee appetijt-reacties toont dat het leven zelf afhangt van het blijvende overwicht van het bewegingszelf. De omgeving moet aan het organisme worden aangepast, niet het organisme aan de omgeving. Voorlopige aanpassingen aan de omgeving dienen alleen om die omgeving beter te dwingen het organisme te dienen. Het dier trekt zijn poot terug, maar alleen om die daarna een beetje verder te kunnen strekken en zo de omgeving vollediger te domineren. Het idee van aanpassing aan de omgeving is in de biologie zo benadrukt dat het lastig is in te zien dat aanpassing altijd een middel is, nooit een doel. Zodra aanpassing het hoofddoel van het bestaan wordt, begint de vernietiging van het organisme. Het enige dier dat geheel is aangepast aan zijn omgeving, is een dood dier, waarvan het lichaam is ontbonden tot chemische vormen die geheel bij de omgeving passen. In termen van primaire emoties moet het organisme zijn conformiteit altijd aan zijn dominantie aanpassen.
In dit hoofdstuk · 8 delen
Wat een omkering is
In het kort, in onze taalMarstons sleutelidee: nare emoties zijn een gezonde drijfveer die op de verkeerde plek staat. De volgorde is omgedraaid.
Wat een omkering is
Wordt dominantie aan conformiteit aangepast, dan spreken we van een omkering. Omkeringen ontstaan door te veel dominantie of door te veel conformiteit. Dominantie kan opflakkeren tegen een afgedwongen conformiteit om die weg te werken, en zo voorkomen dat het organisme een nieuwe, aan dominantie aangepaste conformiteit aanneemt die het naar zijn evenwicht kon terugbrengen. Dat is overdominante omkering: een ram die met razende vastberadenheid tegen een onwrikbare muur beukt, juist omdat die muur hem tot conformiteit dwong. Een conflict is onvermijdelijk, waarin dominantie de conformiteit aanvalt. De tegengestelde omkering ontstaat door te veel conformiteit. Conformiteit kan zo woekeren dat het organisme geen nieuwe dominantie durft aan te nemen die de opgeblazen conformiteit inperkt. Dat is overconforme omkering: een kind dat in doodsangst voor zijn eigen schaduw wegrent. Een reeks conflicten volgt waarin conformiteit de dominantie aanvalt.
Woede
In het kort, in onze taalWoede is dominantie die zich vastbijt in iets onoverwinnelijks. Ze is altijd vergeefs.
Overdominante omkering is woede
De grens tussen enkel koppigheid en woede ligt precies hier. Houd je de armen van een baby vast, dan reageert het kind met pure dominantie zolang zijn bewegingszelf alleen elke versterking oproept om de belemmering af te werpen. Het kind is overdominant, of koppig. Maar zodra het gaat huilen of machteloos wraakzuchtig krijst, is dat het teken dat de afgedwongen conformiteit in zijn bewustzijn is doorgedrongen, en dat zijn dominantie voortaan de tegenstander wil kwetsen in plaats van zijn vrijheid te herstellen. Het kind past nu heel zijn dominantie aan om deze ene conformiteit aan te vallen. Het kind ervaart woede.
Woede is een afwijkende emotie die veel te vaak voorkomt bij volwassenen. Omdat ze meestal uit overdominantie voortkomt, houden velen haar ten onrechte voor normaal en zelfs nuttig. Maar los van de ontwrichting die ze veroorzaakt en de lichamelijke schade die ze vaak oplevert, de ram met de verbrijzelde schedel, is woede niet doelmatig in het uitschakelen van de tegenstander. Domineert de woedende uiteindelijk toch, dan is het de niet-gedwarsboomde dominantie die dat doet, niet de woede. Moet de sterkere tegenstander worden uitgeschakeld, dan gebeurt dat door een nieuwe reeks conformiteiten die de zwakke plekken van de tegenstander uitkiest en domineert. Dat kan een dominantie vragen die zo hevig is dat de persoon zelf het woede noemt, maar zulk geslaagd aanvallen is opgebouwd uit conformiteit netjes aangepast aan opeenvolgende dominantie. Er zit geen woede in, al kan die er wel bijkomen, met bijbehorend verlies aan doelmatigheid. Het woede-deel is altijd vergeefs, en dus afwijkend.
Verwarring ontstaat ook doordat mensen en dieren met buitengewone dominantie hun kracht vaak in woede laten overslaan. Een man die sterker is dan zijn tegenstander kan zich woede veroorloven zonder te verliezen, en de argeloze gevolgtrekking is dan dat de woede de overwinning bracht. Verschijnt er ooit een tegenstander die de woede als zwakte doorziet en uitbuit, dan verliest de sterkere. Zo verging het in de bokswedstrijden tussen Dempsey en Tunney. Dempsey sloeg harder en viel agressiever aan, verreweg de dominantere vechter. Maar hij verviel vaak in woede, wilde blindelings van alle conformiteit af. Tunney, een ongewoon meegaande en intelligente bokser, sneed Dempsey's gezicht haast aan flarden met stoten juist tijdens diens razende momenten. Al gaat grote dominantie vaak met woede gepaard en wint ze vaak ondanks die woede van zwakkere tegenstanders, als onfeilbare regel geldt: overwicht bereik je alleen door conformiteit aan dominantie aan te passen, nooit door overconformiteit zoals in woede. Een hele reeks afwijkende emoties komt uit deze overdominante omkering voort: gedwarsboomde dominantie, prikkelbaarheid, humeurigheid, wraak en neerslachtigheid, tot en met de manisch-depressieve stoornis. Maar dit boek gaat over normale emoties, dus die reeks laten we verder rusten.
Angst
In het kort, in onze taalAngst is daadkracht die zich onderwerpt aan de dreiging in plaats van andersom. Herstel de volgorde en ze verdwijnt.
Overconforme omkering is angst
De grens tussen schrikken en angst. Sla je met een stok op een pan vlak achter het oor van een baby, dan volgt een schrik: een te plotse, te brede remming van het bewegingszelf, waarbij de tonische energie abrupt wordt afgesneden. De conforme tegenprikkel uit zich in een snelle, oncontroleerbare ruk. Heeft het kind de juiste verhouding tussen conformiteit en dominantie geleerd, dan kan het daarna wegkruipen van de bron. Dan is er geen omkering en dus geen angst, hooguit wat overconformiteit: het kind beweegt verder en sneller dan nodig. Maar die te brede bewegingen zijn wel goed aangepast om het kind in een positie te brengen waar zijn dominantie de conformiteit weer kan vervangen. Zolang blijft conformiteit aan dominantie aangepast.
Maar huilt het kind, sluit het de ogen of valt het neer, zoals Watson in zijn angstproeven beschrijft, dan zijn dat reacties die op geen enkele dominantie gericht zijn. Er is niet alleen overconformiteit, maar ook een falen om die conformiteiten te kiezen die tot dominantie leiden. In plaats daarvan komen ogen sluiten en huilen, dominante gedragingen die alleen gekozen zijn omdat ze naast de overconformiteit kunnen bestaan. De ene dominantie die het overwicht kon herstellen, weglopen, wordt door de conformiteit geremd, en het kind valt neer. Een beetje dominantie wordt aangepast aan heel veel conformiteit, en zelfs die rest wordt door de conformiteit aangevallen. Het kind ervaart angst. Jaren geleden wees ik erop dat James' beroemde stelling, dat we bang zijn voor de beer omdat we wegrennen, moet worden bijgesteld tot: we zijn bang voor de beer omdat we niet snel genoeg wegrennen. En nu nog verder: we rennen niet snel genoeg weg omdat we het de beer naar de zin willen maken en niet onszelf. Zou de rennende psycholoog zich niets aantrekken van de bewegingen van de beer en alleen dominant vastbesloten zijn die beer koste wat kost te verslaan, dan ontkwam hij zeker aan alle angst voor de beer. Want angst komt alleen wanneer dominantie zich probeert aan te passen aan haar doodsvijand, overconformiteit.
Er is veel onzin over angst geschreven. Men zocht de bron in seksualiteit, in de libido, in verdrongen jeugd en in duizend andere onwaarschijnlijke hoeken. Angst is in werkelijkheid een eenvoudige omkering, de kar voor het paard, meer niet. Het is die omgekeerde verhouding die in de kindertijd wordt geleerd, niet losse angsten voor dit of dat. Mevrouw Jones toonde het uitwaaieren van kinderangsten, van harde geluiden naar harige dieren, en men nam vrijwel algemeen aan dat elke angst zich aan een nieuw voorwerp koppelt. Ik zou eerder zeggen: de eerste angst leert een omgekeerde aanpassing van dominantie aan conformiteit tegenover voorwerpen die tegenwerkend en sterker zijn. Daarna leert het kind dat ook andere voorwerpen in die klasse vallen. Elke nieuwe angst schaart niet alleen een nieuw voorwerp in de klasse tegenwerkend-en-sterker, maar versterkt ook telkens de omkering zelf. Zo waaiert angst uit, zowel in het aantal prikkels dat haar oproept als, belangrijker, in de neiging tot die omgekeerde verhouding zodra een van beide reacties het hele leven door optreedt.
Dit kan betekenen dat iemand voor het einde van de puberteit haast voortdurend in angst leeft zodra hij de wereld zonder beschermer tegemoet treedt, met een chronische omkering, angst bij alles wat nieuw is, en compenserende woede zodra hij alleen is. Er is geen ingewikkelde reeks verdringingen en complexen nodig, hooguit als propaganda bij de behandeling. Het maakt niets uit of iemand de omkering leerde van een blaffende bulhond of van alleen in het donker gelaten worden op zijn derde. Hoe hij de omgekeerde verhouding ook leerde, hij heeft nu twee taken: eerst de omkering afleren, dan de juiste verhouding leren, conformiteit aangepast aan dominantie. Het woord angst hoeft nooit te vallen. Angst verdwijnt vanzelf zodra iemand heeft geleerd zijn conformiteit aan zijn dominantie aan te passen, bij alle voorwerpen.
In enkele gevallen lukte die herscholing mij in tien minuten. In andere werkte ik jaren zonder haar bijna af te ronden. Het is een kwestie van de persoon bestuderen, een voldoende overgevende band met de trainer opbouwen, en dan de symboliek en prikkels gebruiken die voor die persoon het meest betekenen. Een algemeenheid mag ik wel wagen: het mysterie uit angst halen is negen tiende van het werk. Zolang iemand angst ziet als een grote, verborgen kosmische kracht die hem elk moment uit het niets, uit de libido, uit de evolutie of uit zijn jeugdcomplexen naar de keel kan vliegen, heeft de klinisch psycholoog geen kans op een miljoen om haar weg te nemen. Die begrippen zijn juist de doeltreffendste leermeesters van overconforme omkering en angst die er bestaan. Zorg, verlegenheid, terugtrekken uit de werkelijkheid, teruggetrokkenheid en een ontoereikende persoonlijkheid, tot en met regelrechte fobieen, wortelen allemaal in overconforme omkering. Maar het zijn afwijkende emoties, en horen dus niet in dit boek thuis.
De leugendetector
In het kort, in onze taalHier beschrijft Marston zijn bloeddruk-leugentest, de voorloper van de polygraaf. Dezelfde man bedacht later Wonder Woman.
Dominantie en angst in de leugentest
In 1917 meldde ik de ontdekking van de zogenoemde bloeddruk-leugentest. Mijn resultaten toonden dat de bovendruk in een kenmerkende curve stijgt zodra iemand die de proefleider wil misleiden over een vermeend misdrijf, een cruciale vraag krijgt. Een stijging van de bovendruk hoort bij een toename van het bewegingszelf, dus bij meer tonische ontlading via sympathische banen. Er is dus een duidelijke opflakkering van kracht om de dreiging van de cruciale vraag te weerstaan. In de toen gangbare taal noemde ik die emotie angst. In werkelijkheid moet ze dominantie heten.
De aard van die dominantie bleek verder uit reactietijdproeven, waarbij we de extra tijd voor het bedenken van de leugen eruit rekenden. Er bleek een type te bestaan dat sneller reageert bij liegen dan bij de waarheid spreken. Goldstein toonde later dat nog meer mensen dit vertoonden wanneer liegen niet meer denkwerk vroeg dan de waarheid. In een latere proef maten E.H. Marston en ik associatie-reactietijden, waarbij we mensen na het prikkelwoord de tijd gaven zelf een woord te kiezen, terwijl we de bloeddruk registreerden. De vergelijking tussen reageren met het ware woord en met een verzonnen woord overtuigde mij uiteindelijk dat het actieve element van misleiding geen angst is, maar dominantie.
Al is het de dominantie die de misleider verraadt, er zit waarschijnlijk ook veel echte angst in het bewustzijn van bijna iedereen die op misleiding wordt onderzocht, in het lab of in de rechtszaal. Het is de angst die de misleiding op veel manieren minder doelmatig maakt, terwijl juist de meest geslaagde leugenaar zich verraadt door de ademhaling en bloeddruk die op dominantie wijzen. De zwakke leugenaar verraadt zich vaker door langere reactietijden, door schuldige associaties en door zichzelf tegen te spreken bij het kruisverhoor. De zwakkere misleider reageert ook dominant op cruciale vragen, en verraadt zich ook door stijging van de bovendruk, maar die dominantie is kleiner, wordt makkelijker overweldigd, en verraadt zich in een grilliger, minder gladde reeks stijgingen. Waar angst optreedt, uit ze zich in tekenen van conflict tussen het vergeefse verbergen en de afgedwongen overconformiteit met het kruisverhoor. Angst tijdens misleiding levert zo het bewijs van haar ware aard: verzwakte dominantie die zich probeert aan te passen aan overconformiteit met een sterkere tegenstander, en die daarbij voortdurend deels wordt verslagen.
Hieruit volgt dat er twee soorten leugentest zijn. Ten eerste testen van de dominantie waarmee de leugenaar zijn geheime kennis vasthoudt. Ten tweede testen van de nederlaag van die dominantie, dus van de angst, door overconformiteit die de kruisverhoorder afdwingt. De dominantietest werkt bij iedereen, de angsttest alleen bij wie gewoonlijk in de overconforme omkering vervalt of daartoe te dwingen is. De dominantietest verraadt de leugen door elke toename van inspanning om de waarheid te verbergen. De angsttest verraadt de leugen alleen wanneer de persoon onder de druk even zijn greep laat verslappen. De dominantietest moet de persoon aanmoedigen zo hard te liegen als hij wil, de angsttest moet zijn misleiding bij elke stap dwarsbomen.
De dominantietesten zijn: stijging van de bovendruk, verandering in de verhouding tussen uit- en inademing, en verkorting van reactietijden. De angsttesten zijn: verlenging van reactietijden, schuldige associaties, en zelfverraad door tegenstrijdige antwoorden of bekentenis onder druk. Burtt en andere betrouwbare onderzoekers melden de beste en gelijkmatigste resultaten met de bloeddruktest en de ademhalingstest, beide dominantietesten. Langfeld, Jung en anderen melden goede resultaten met de reactietijdtest, een angsttest. Burtt, Troland en ikzelf vonden bij het beproeven voor oorlogsdoeleinden, in rechtszaal en lab, de bloeddruktest het bruikbaarst en de reactietijdtest het minst waardevol, vooral in echte rechtszaken. Larsen, die alle soorten test bij meer dan duizend verdachten gebruikte, liet de associatie- en reactietijdtest later vallen en steunde vooral op de bloeddruktest, met de ademhalingscurve als controle. Hij paste zijn techniek met succes toe bij de politie van Los Angeles, Oakland, Duluth en Evanston. In de praktijk blijkt de dominantietest dus verreweg het betrouwbaarst.
Jaloezie
In het kort, in onze taalIn de wereld van de verbinding ontstaat jaloezie: te veel overgave, die de ander niet opnieuw weet te winnen.
Omkeringen tussen overgave en invloed
Omkeringen tussen overgave en invloed veroorzaken botsende, gedwarsboomde liefde-emoties, net zoals omkeringen tussen dominantie en conformiteit botsende appetijt-emoties veroorzaken. De doelmatige verhouding is invloed aangepast aan overgave. In bewuste termen: bij alle liefde beinvloed je een ander alleen om je aan hem te kunnen overgeven. Het rustpunt hangt af van een slotovergave die gelijk is aan en sturend over de voorafgaande invloed.
Liefde is precies het tegendeel van appetijt in de verhouding tot de prikkel. Bij appetijt is conformiteit alleen een middel om de prikkel voor eigen voordeel te domineren. Appetijt is zelfvergrotend, en tenzij het organisme aan het eind volledig dominant staat tegenover de omgeving, heeft appetijt haar doel gemist. Bij liefde is het omgekeerd: je stelt jezelf onder de sturing van een ander om jezelf, of een deel van jezelf, aan die ander te geven. Invloed moet altijd voorafgaan aan dat geven, want het hoort niet bij liefde iemand iets op te dringen wat hij niet wil. De ontvanger moet eerst worden bewogen het gewillig en blij te aanvaarden. Kan de overgave niet prettig worden gemaakt voor de ander, dan is het geen echte overgave meer. Invloed moet dus altijd voorafgaan aan en geheel aangepast zijn aan overgave, wil het echte liefde zijn.
Omkeringen ontstaan door te veel overgave of te veel invloed. Overheerst overgave zo sterk dat de persoon, wanneer invloed nodig is om de overgave te kunnen voortzetten, toch blijft proberen zich over te geven, dan lijkt dat op de overdominantie die wraakzuchtig op de conformiteit blijft beuken. Overgave duwt dan hulpeloos en onprettig tegen de prikkel die tot invloed dwong. Dat is overgevende omkering: een minnaar die zwijgend op zijn snor kauwt terwijl zijn geliefde een aantrekkelijker man captiveert. Een pijnlijk conflict tussen de onwillige wens haar aandacht terug te winnen en een overgave aan haar charme die niet wil wijken. Hier valt overgave de invloed aan. De tegengestelde omkering ontstaat door te veel invloed. Ontdekt iemand die anderen altijd wil beheersen dat de overgave die hij als lokaas gebruikte niet volstaat, dan kan zijn invloed bij die weerstand razend opflakkeren. Dat is invloed-omkering: een vrouw die zich aan de voeten van haar vroegere minnaar werpt om hem terug te winnen, slechts een spottende lach oogst, en zich dan met haar nagels op zijn gezicht stort. Hier valt overmatige invloed de overgave aan.
Overgevende omkering is jaloezie
De grens tussen onevenwichtige opgeslorptheid in de geliefde en jaloezie. Watson lukte het niet jaloezie op te wekken door een jonger kind te liefkozen in het bijzijn van een ouder kind dat minder aandacht kreeg. Waarschijnlijk was de liefde nog niet zo ontwikkeld dat overgave omsloeg, en was er op dat moment te weinig liefde-prikkeling gaande. Ik riep wel jaloezie op bij een meisje van drie: terwijl de moeder haar dochtertje op schoot liefkoosde, bracht ik een oudere jongen binnen tot wie de moeder zich wendde en sprak, al hield ze de dochter in haar arm. Het meisje reageerde eerst normaal, met invloed, door aan de jurk van de moeder te trekken en dichter tegen haar aan te kruipen. Toen dat alleen een vermanend Rustig, Bee opleverde, maakte het kind een gebaar alsof het de jongen wilde wegduwen, verborg toen haar hoofd tegen de borst van de moeder en begon zacht te huilen, blijkbaar om aan het bevel rustig te blijven te voldoen. Noch moeder noch kind wist dat er iets werd waargenomen.
De actieve overgave van het meisje was op haar hoogtepunt toen ze werd onderbroken. Dat had normaal invloed moeten oproepen om de overgave te hervatten, en een lichte invloed kwam ook. Maar toen die eerst mislukte, sneed de bestaande overgave die invloed af. Het kind keerde de verhouding om en paste haar overgave aan de mislukte invloed aan, door zich zo goed mogelijk over te geven terwijl de invloed nog ongecontroleerd doorwerkte. Er was een conflict waarin beide elkaar deels dwarsboomden. Overgave moest zich aanpassen aan invloed omdat ze die niet kon wegnemen en er niet voor wilde wijken. Het gevolg was de afwijkende emotie jaloezie, waarschijnlijk voor het eerst in het bewustzijn van dit kind.
Hoe zou een ouder iemand met een gezonde verhouding dit hebben opgelost, zonder omkering en jaloezie? Invloed moet aan overgave aangepast blijven. Dus: de volledige overgave aan de moeder moet doorlopen, wat er ook gebeurt. De enige vraag is hoe die overgave te behouden. En de enige reactie die de moeder tot verdere overgave kan bewegen, is invloed. Geeft de bezoekende jongen de moeder plezier, dan moet de zoeker een manier vinden de moeder nog meer plezier van dat bezoek te geven: de jongen iets vragen wat de moeder bevalt, of hem een koekje geven. Zo'n daad beweegt de moeder om deze nieuwe overgave, het extra plezier, van de hand van haar dochter te aanvaarden. Invloed aangepast aan overgave laat de dochter zich blijvend en actief overgeven. Lichamelijk aankruipen was door de komst van de jongen geen overgave meer, dus moest een nieuwe reeks echte invloed worden gevonden. Dan is invloed steeds aan overgave aangepast, en is er geen omkering, geen conflict en geen jaloezie. Verwante overgevende omkeringen zijn verdriet, rouw, eenzaamheid te midden van gezelschap, schuchterheid en zwaarmoedigheid. Maar het zijn afwijkende emoties, dus laten we die rusten.
Haat
In het kort, in onze taalHaat is invloed die weigert te buigen: je wilt de ander tot dat ene ding dwingen en ziet niet dat het ook anders kan.
Invloed-omkering is haat
De grens tussen onevenwichtige vastberadenheid andermans daden te sturen en haat. Er zijn geen goed onderbouwde gevallen van echte haat bij kinderen. De duidelijkste voorbeelden op grote schaal zijn de rassenhaat en de haat tussen volken, vooral in oorlog. De gewone burgers van een land raken, vooral door propaganda in de kranten, aangewakkerd door soms politici maar vaker private belangen, ervan overtuigd dat burgers van een ander land de vlag hebben beledigd of de rechten van onze burgers hebben geschonden. Toen de Amerikaanse kranten de oorlog met Spanje begonnen, waren het de rechten van de lijdende Cubanen die de haat opriepen. Om de liefde voor de gekwetste Cubanen uit te voeren, moest Amerika de Spanjaarden bewegen hun behandeling te veranderen. Amerika wilde zich op geen andere voorwaarde schikken dan die het Spanje wilde opleggen. Maar zolang Spanje de Cubanen hard bleef behandelen, wat het even in zijn macht had, werd Amerika gedwongen zich te schikken, ondanks alle pogingen tot invloed. Er ontstond een conflict tussen afgedwongen overgave aan Spanje en overmatige invloed die die overgave aan zichzelf wilde aanpassen. Zolang Spanje niet toegaf, wekte het haat bij elke Amerikaan die aan die omkering leed. Tot de burgers van een volk bereid zijn een ander volk alleen te beinvloeden om zich beter aan diens belang te kunnen overgeven, ontstaat er onvermijdelijk haat zodra het ene volk zich moet schikken naar het andere.
In zulke rampzalige internationale haat, waar miljoenen bewust de meest afwijkende emotie wordt aangeleerd, is de omkering dezelfde als bij de vluchtigste haat tussen twee mensen. En de oorzaak is dezelfde. Wie haat, is zo vastbesloten de ander tot dat ene ding te bewegen, dat hij niet ziet dat hij de ander makkelijk tot iets anders kon bewegen waaraan hij zich wel had kunnen overgeven. Verwoestende dominantie treedt binnen zodra de ander weerstand biedt, die dan een tegenstander wordt, niet meer te beinvloeden maar uit te schakelen en tot conformiteit te dwingen. Zo bereikt de overwinnaar, hoe geslaagd ook, nooit zijn oorspronkelijke doel de ander tot overgave te bewegen. Hij kan hooguit een vijand domineren en conformiteit afdwingen. Wil hij het eerste doel bereiken, dan moet invloed aan overgave worden aangepast: er moet een handelwijze van de ander worden gevonden waaraan de beinvloeder zich uiteindelijk wil overgeven, en waartoe hij de ander nu kan bewegen. Beiden moeten zich uiteindelijk overgeven, en beiden moeten een invloed kiezen die de overgave van de ander doet aanvaarden. Dat is compromis, volkerengemeenschap en vrede. Invloed moet aan overgave aangepast blijven, anders worden mensen dingen en vernietigen ze elkaar. Haat is de afwijkende emotie die de vernietiging van mensen door mensen begeleidt.
Al wijkt invloed in oorlog grotendeels voor dominantie, er blijft genoeg omgekeerde overgave en invloed over om de motiverende haat gaande te houden, zonder welke die vergeefse dominantie snel zou uitdoven. En haat is goed van dominantie te onderscheiden. De achterliggende wens is niet de vijand tot conformiteit maar tot overgave te dwingen, en wel tot een bepaalde, willekeurig gekozen invloed. Daarom is er de drang de invloed, nu verworden tot vernietigende dominantie, steeds heviger te maken zodat het slachtoffer haar genoeg voelt om zich over te geven. De omgekeerde beinvloeder ziet volstrekt niet in dat de kracht van invloed niet in tegenwerkende hevigheid ligt, maar in bondgenote hevigheid. Zit er ook maar iets kwetsends in de overmaat, dan verliest de invloed alle macht om overgave op te roepen. Maar de aanvaller beseft dat niet, zijn overgave en invloed staan omgekeerd. Om zijn invloed krachtiger te maken zoekt hij de gehate zoveel mogelijk persoonlijk te kwetsen. Dat geeft haat een heel ander bewust karakter dan dominantie, die de prikkel alleen tot alliantie wil dwingen of als hindernis wil wegnemen. Dominantie is hevig, meedogenloos, maar onpersoonlijk. Haat is bewust wreed, nog heviger dan dominantie, en juist persoonlijk. Wrok, zogenoemde gedwarsboomde seksualiteit, bepaalde vormen van kwaadaardigheid en paranoia horen bij haat in deze reeks. Maar het zijn afwijkende emoties, dus daarover niet verder.
Samengevat
In het kort, in onze taalVier nare emoties, een oorzaak: herstel de volgorde en je zet ze terug.
Samenvatting
Conformiteit moet aan dominantie worden aangepast, en invloed aan overgave, wil de mens normaal blijven. Omkeringen leiden altijd tot conflict. Het gaat het organisme boven de macht om bepaalde conformiteit aan te passen aan enige dominantie die het kan opbrengen. Toch kan de overdominante het onmogelijke blijven proberen, ook al zijn er andere conformiteiten die makkelijk in dominantie konden overgaan. Hij blijft op de onoverwinnelijke conformiteit hameren, met een dominantie die deels wordt gedwarsboomd door het besef van de vergeefsheid. Dat is overdominante omkering, met woede als typische emotie. Er kan conformiteit gaande zijn die het organisme wel in dominantie kon omzetten, maar de overconforme durft het mogelijke niet. Zijn dominantie wordt vernietigend aangepast aan zijn conformiteit, terwijl hij beseft dat de dominantie steeds wordt verslagen. Dat is overconforme omkering, met angst als typische emotie. Er kan overgave gaande zijn die het organisme kon voortzetten met de juiste invloed, maar de overgevende kan die invloed niet kiezen. Zijn overgave past zich aan de vergeefse invloed aan, terwijl hij beseft dat ze wordt verslagen. Dat is overgevende omkering, met jaloezie als typische emotie. En het gaat boven de macht van het organisme bepaalde invloed aan te passen aan zijn overgave. Toch kan de overmatige beinvloeder het onmogelijke blijven proberen, met een steeds hevigere vergeefse invloed. Dat is invloed-omkering, met haat als typische emotie.
Als liefde en begeerte omdraaien
In het kort, in onze taalOok tussen liefde en appetijt kan de volgorde omslaan. Daaruit komen nog meer ongezonde patronen voort.
Omkeringen tussen liefde en appetijt
De normale verhouding is appetijt geheel aangepast aan liefde. Een leven dat zowel geslaagd als gelukkig is, past zijn successen aan zijn geluk aan. Wie geluk aan succes aanpast, faalt uiteindelijk in beide. Waarschijnlijk lijdt bijna ieder mens min of meer aan deze omkering tussen liefde en appetijt. Het stelsel van Freud lijkt gebouwd op de meest fundamentele van alle ontdekkingen: dat appetijt aan liefde moet worden aangepast, terwijl de moderne zeden liefde aan appetijt aanpassen. Maar de waarde van die ontdekking is tenietgedaan door liefde zelf in appetijt-termen te beschrijven. De aanstaande minnaar krijgt te horen dat hij appetijt of begeerte heeft naar het lichaam van zijn geliefde. Liefde wordt seksuele emotie genoemd, en haar zogenoemde normale uiting beperkt tot seksuele appetijt tussen de geslachten. Zo wordt juist de omkering, liefde beheerst door appetijt, die sommige analytici als bron van alle conflict erkennen, in stand gehouden door liefde als eten en verteren van de geliefde af te schilderen.
Wil men de normale verhouding begrijpen, dan moet men eerst de ware aard van liefde begrijpen, want liefde moet de sturende reactie zijn waaraan appetijt zich aanpast. Liefde is geven, geen nemen; voeden, geen eten; een onbaatzuchtige alliantie, geen zelfzuchtig conflict met een lustobject. Wat het organisme tijdens appetijt verwierf, moet het in liefde weer weggeven, en dat alles omvat het organisme zelf. Weggeven betekent echter geen vernietiging van de gever, alleen een overgave van alles wat hij heeft, ook zijn lichaam, aan de dienst van de geliefde. De normale verhouding, appetijt aangepast aan liefde, wordt aan het vrouwelijk organisme opgelegd tijdens de voortplanting. De vrouw raakt daarbij niet uitgeput, want ze moet sterk en doelmatig blijven om juist haar kind te dienen. Wie zich geheel aan de omgeving aanpast, moet sterven en ontbinden. Wie zich aan de geliefde overgeeft, moet gezonder en levendiger worden dan tevoren. Elk verval van de voortbrengende vrouw schaadt haar schepping evenredig. Volledige aanpassing van appetijt aan liefde is dus maximaal doelmatig, zelfs voor de gever, en wordt nooit zelfopoffering zolang liefde werkelijk stuurt. Pas als de omkering binnensluipt, ontstaat conflict tussen liefde en behoefte.
Omkeringen tussen liefde en appetijt in het gedrag
Actieve liefde beheerst door actieve appetijt levert het gedrag op dat in Amerika bekendstaat als gold digging. Revuemeisjes, jongere zonen die om geld trouwen en gigolo's die op oudere vrouwen jagen, zijn beroepsjagers op geld. Maar amateurs zijn er overal, en in bepaalde society- en collegekringen is een meisje zonder enige trek van de golddigger haast niet te vinden. Het aantrekkelijke is dat er niets tegenover het verkregen voordeel hoeft te staan. Actieve liefde captiveert de uitgekozen bron. Zodra die genoeg onder liefde-controle staat, wordt actieve appetijt aangezet om de buit weg te halen. Noch overgave noch conformiteit, de twee moeilijkste emoties om te leren, zijn nodig. Actieve liefde en actieve appetijt staan voortdurend op gespannen voet zodra liefde voor appetijt wordt gebruikt. Elke keer dat de golddigger begint te graven, stopt de liefde. Kan dat handig en snel, dan kan captivatie weer worden aangezet voor een volgende buit. Maar er is een grens aan die reeks, afhankelijk van de verhouding liefde tot appetijt bij het slachtoffer. Oudere mannen, met verzadigde appetijt en losgeraakte liefde die overcompenseert voor een liefdeloos leven, zijn de meest vatbare slachtoffers. En de golddigger zelf, hoe sterk haar actieve liefde ook begon, ziet die onvermijdelijk slinken en verwringen onder de appetijt-controle, tot haar captiverende kracht op is en haar loopbaan vanzelf eindigt.
Actieve liefde beheerst door passieve appetijt heet verleiding. Het doel is niet verrijking, maar de geliefde gevangene te dwingen de verleider zinnelijk genot te geven, zoals fijn eten bevrediging geeft. Passieve liefde beheerst door passieve appetijt heet zinnelijkheid: men wil gecaptiveerd worden om passie te beleven, die op zijn beurt als intens prettige appetijt-bevrediging wordt genoten. Passieve liefde beheerst door actieve appetijt heet in de wet prostitutie: een echte passie wordt aangepast aan het verkrijgen van geld van degene aan wie men zich overgeeft. Ook huwelijken waarin de een, hoewel hij passie voelt, die passie ondergeschikt maakt aan geld of positie, vallen hieronder. Ik zag ook jongemannen met een echte passie voor een oudere man die ze bewonderen, waarbij ze die passie gebruikten om zoveel mogelijk positie en salaris van hem te verkrijgen.
Actieve liefde beheerst door actieve dominantie heet in haar afwijkende uiterste sadisme. De wens iemand te captiveren wordt beheerst door het dominante doel de gevangene te vernietigen, of, zoals bij de Markies de Sade zelf, om het slachtoffer volledig te onderwerpen. De dominantie legt martelingen op, en behandelt het slachtoffer als een levenloos, tegenwerkend voorwerp dat tot alliantie moet worden gedwongen. Het prettige dat de sadist eraan ontleent, is de captivatie die voortkomt uit de spontane liefde-gevoelens die hij bij het slachtoffer meent op te wekken. Zo dwong een berucht Amerikaans sadist een jongen die hij meedogenloos geselde een gedicteerde overgave op te schrijven, terwijl hij de gevoelens van liefdesgevangenschap opsomde die hij zich bij de jongen verbeeldde. Licht slaan of onderwerpen hoeft geen sadisme te zijn, mits de ander niet wordt geschaad en de captiveerster hem alleen zo onderwerpt dat het hem maximaal genoegen geeft. Zodra dominantie de actieve liefde beheerst, neemt het genot bij de gevangene af, en daarmee ook bij de captiveerster. Geen man is lichamelijk gebouwd als captiveerster, dus zodra een man dominantie gebruikt om te captiveren, beheerst zijn dominantie bijna zeker de captivatie, en wordt hij tijdelijk een sadist. Passieve liefde beheerst door actieve dominantie heet verraad: wie zich actief overgeeft en de ander zo tot vertrouwen beweegt, en de zo verkregen kennis dan gebruikt om de ander te domineren, is verraderlijk.
Omkeringen tussen invloed, overgave en appetijt
Actieve overgave beheerst door dominantie of appetijt heet huichelarij. Enige echte zorg voor de ander wordt gebruikt om de onderliggende dominantie te verhullen. Ook invloed kan meespelen. Sommige huichelarij toont alle elementen van voortbrenging, netjes geordend maar in dienst van appetijt. Hervormers die grote salarissen en wereldfaam oogsten met hun beroepsmatige hervormen, zijn hiervan het uiterste. Soms is hun einddoel haast pure dominantie, soms is het geld het sturende, waaraan invloed, overgave en zelfs voortbrenging worden aangepast.
Invloed beheerst door dominantie of appetijt levert misleiding op. Actieve invloed roept overgave op bij de misleide, om diens overgevende gedrag voor eigen belang te gebruiken. De emoties bij de eerste daad van misleiding moeten niet worden verward met die van de misleider die later wordt ondervraagd; dat kruisverhoor is vooral een verhouding van aanvaller en aangevallene. Waarschijnlijk zit er ook enige invloed in de ondervraagde die liegt, want in de rechtszaal moet de getuige de rechter of jury tot geloof bewegen terwijl hij zich verweert tegen de aanklager. Maar in de kern verdedigt hij zich, misschien voor zijn vrijheid of leven, tegen de dominante poging van de ondervrager zijn geheim af te nemen. Die emoties hebben weinig te maken met de omkering die de oorspronkelijke misleiding voedt.
Actieve invloed kan dienen om andermans bezit te verkrijgen: de eigenaar wordt bewogen zich zo te gedragen dat de misleider zijn bezit zonder vergoeding kan domineren. Dat is het verkrijgen van goederen onder valse voorwendselen. Actieve invloed kan ook aan passieve appetijt worden aangepast: wie een misstap beging, gebruikt invloed om overgave van de aanklager op te roepen, die het verhaal als waar aanvaardt en elders naar de dader zoekt. In een samenleving die alle overtreders met wrede overdaad straft, geldt dit vaak als vergeeflijk. Zo worden volwassenen tot misleiding aangezet door wetten die zelf mannelijk sadisme en huichelarij belichamen, zoals kinderen tot misleiding worden aangezet door ouders die liefde aan appetijt aanpassen. Ten slotte de eenvoudigste misleiding, invloed aangepast aan enkele actieve dominantie: de misleider domineert zijn tegenstander in een spel door hem tot overgave te bewegen op een manier die hem in het nadeel zet. Vallen, gezet voor mens of dier, zijn hiervan voorbeelden. In allerlei sport geldt dit gebruik van invloed voor dominantie als knap en prijzenswaardig. Waar de regels bepaalde misleiding toestaan, zijn beide spelers gewaarschuwd, en wordt dat deel van het spel een misleidingswedstrijd die juist in deze afwijkende aanpassing traint.
Waar wij afwijken van Marston: de structuur van dit hoofdstuk, emoties als omkeringen, vinden wij het waardevolst van het boek. Maar Marston koppelt zijn model aan sterk gedateerde voorbeelden en aannames: de Spaans-Amerikaanse oorlog als vanzelfsprekend kader, stellige uitspraken over rassen en volken, en het beeld dat vrouwen van nature captiveren en mannen van nature domineren. Ook zijn vertrouwen in de leugendetector als betrouwbaar instrument is achterhaald; de wetenschappelijke consensus is inmiddels dat de polygraaf geen betrouwbare leugendetector is. Wij nemen het emotiemodel over, niet de politieke, raciale of forensische conclusies van zijn tijd.
