In het kort
Dit is het meest technische hoofdstuk. Marston probeert bewustzijn een fysieke plek te geven. Volgens hem ontstaat het op het verbindingspunt tussen twee zenuwcellen, de synaps, die hij de psychon noemt.
De neurologie is sinds 1928 sterk veranderd, dus deze theorie is achterhaald. Wij nemen haar niet over als wetenschap.
De vraag Wat is bewustzijn? wordt al gesteld sinds het eerste ontwaken van het denken, maar is nooit beantwoord. Onze tijd kan bogen op een geheel eigen, nieuwe vraag: Bestaat bewustzijn wel? Voor wie zijn nuchtere leven buiten de academische luchtkastelen heeft geleid, klinkt die vraag belachelijk. Toch raken docenten van de oude school flink in verlegenheid wanneer ze een gezond sceptische jongere generatie ervan moeten overtuigen dat er zoiets als bewustzijn bestaat.
Wat is het dan? vragen de studenten die Watson lezen. Waar zit het? Bewijs me maar dat bewustzijn bestaat. Tevergeefs houdt de docent vol dat iedereen weet wat bewustzijn is, omdat iedereen bij bewustzijn is, en dat veel verschijnselen die je niet kunt aanstoten, schijnbaar de behavioristische toets voor echt bestaan, toch aantoonbaar bestaan. Heel goed, antwoorden de studenten, laat het ons dan zien.
Objectief bewijs voor het bestaan van bewustzijn moet noodzakelijk indirect bewijs zijn, net als bij elektriciteit, radiogolven en zelfs de voortplanting van prikkels in zenuwweefsel. Geen radiogolf, elektrische stroom of zenuwprikkel is op zichzelf tastbaar genoeg om met onze zintuigen en de beschikbare instrumenten te worden waargenomen. Maar de effecten van die krachten op waarneembare materie worden wel aanvaard, niet alleen als bewijs van hun bestaan, maar ook als wetenschappelijk beschrijvende maatstaven waarmee de aard van de onzichtbare oorzaak te bepalen is. Zo kan een elektrische stroom een volt- of amp, eremeter laten uitslaan, een radiogolf kan verschillen in geleiding in een radiobuis veroorzaken, en een zenuwprikkel kan leiden tot gemakkelijk te registreren samentrekkingen van een reepje spiervezel.
Als we het bewustzijn met diezelfde objectiviteit benaderen, moeten we aannemen dat het bewustzijn zelf, of het lichamelijke mechanisme dat het voortbrengt, een bepaalde fysieke kracht is, in staat om zijn aanwezigheid en aard kenbaar te maken door veranderingen in waarneembare materie te veroorzaken. En die kracht, als ze ergens bestaat, is te vinden in de complexere reacties van de normale, volwassen mens. In de termen van het vorige hoofdstuk: we moeten nu bewijzen dat een vitalistische oorzaak die bewustzijn heet werkelijk in een deel van het menselijk organisme bestaat, en dat die complexe energievorm een meetbare invloed uitoefent op eenvoudiger energie-eenheden binnen het lichaam, waarneembaar met onze zintuigen of met instrumenten.
De meeste mensen hebben, zonder hulp van een psycholoog, gemerkt dat sommige van hun handelingen voor henzelf bewuster aanvoelen dan andere. Gewoontehandelingen, zoals lopen, met een horlogeketting spelen of met een stok zwaaien, lijken vaak helemaal niet door bewustzijn vergezeld te gaan. Het nemen van gewichtige beslissingen, dat uren, dagen of weken kan duren, is daarentegen het soort handeling dat het meeste bewustzijn lijkt te bevatten. De vraag of gewoontehandelingen werkelijk geheel zonder bewustzijn verlopen, laten we hier even voor wat ze is. Als onze proefpersonen eensgezind melden dat het ene soort gedrag bewuster is dan het andere, en als daar objectief waarneembare effecten mee gelijk opgaan, dan is dat een wetenschappelijk aanvaardbaar bewijs dat bewustzijn een materiele kracht is die als vitalistische oorzaak op ons lichaam inwerkt. Precies zoals de uitslaande naald van een voltmeter geldt als bewijs van de onzichtbare elektrische stroom.
Onze eerste vraag luidt dus: welke veranderingen in het lichamelijk gedrag gaan kenmerkend samen met dit gemelde bewustzijn?
In dit hoofdstuk · 4 delen
Bewijzen dat bewustzijn bestaat
In het kort, in onze taalMarston begint met de vraag of bewustzijn echt is. Hij vindt van wel, en zoekt naar de fysieke plek waar het ontstaat.
Bewijzen van bewustzijn
1. Hoe bewuster een reactie, hoe trager ze is
Vaak is opgemerkt dat hoe bewuster een handeling is, hoe langer de waarneembare vertraging tussen de prikkel en de zichtbare reactie. Gewoontehandelingen volgen heel snel op de prikkel, terwijl bij gewichtige beslissingen de daadwerkelijke handeling dagen of weken kan uitblijven. Reflexen als de kniepeesreflex, waar de persoon zelf geen begeleidend bewustzijn bespeurt, hebben een nog kortere reactietijd dan gewoontehandelingen. En bepaalde denkactiviteiten, die urenlang kunnen aanhouden en de hele tijd als intens bewust worden ervaren, leiden soms nooit tot een waarneembare eindreactie. Een waarneembaar effect van bewustzijn op gedrag is dus een verlenging van de tijd tussen prikkel en reactie.
2. Hoe bewuster een reactie, hoe langer ze aanhoudt nadat de prikkel weg is
In scherp contrast met het eerste effect staat een tweede, even gewoon verschijnsel. Zuivere reflexen of gewoontehandelingen stoppen heel snel zodra de prikkel verdwijnt. Een machinist drukt de stophendel niet langer in nadat de machine stilstaat. Je maakt geen draaibewegingen met een horlogeketting meer als je in pyjama staat, en je beweegt je benen niet alsof je loopt zodra je languit in een stoel ligt. Maar hangt er meer bewustzijn aan een handeling, dan houdt die vaak veel langer aan nadat de prikkel volledig is weggevallen.
Stel dat een jongeman op de toevallige opmerking dat hij geestelijk niet in orde is, na weken nadenken besluit psychiater te worden. Dit is een echt geval uit mijn praktijk. Binnen enkele maanden gaat hij naar de medische faculteit, maar er volgen lange jaren opleiding voordat hij zijn eigen persoonlijkheid kan analyseren. In al die jaren heeft hij die suggestie misschien geen enkele keer opnieuw gehoord, en toch heeft zijn oorspronkelijke reactie, die gepaard ging met intens en langdurig bewustzijn, jarenlang onverminderd standgehouden nadat de prikkel was verdwenen. De meeste fysiologen zouden het erover eens zijn dat zo'n langgerekte reactie niet een enkele reactie is, maar een lange reeks. Aangezien die reacties grotendeels centraal worden aangestuurd en alle op een doel zijn gericht, moet de oorspronkelijke prikkel ergens in het centrale zenuwstelsel een grote hoeveelheid energie hebben opgewekt, die het gedrag jarenlang bleef sturen. Woodworth spreekt in dit verband van opgestuwde energie die maanden of jaren in het zenuwstelsel kan blijven, en in kleine stroompjes ontsnapt zodra de juiste prikkel de dam doorboort.
3. Hoe bewuster een reactie, hoe minder haar ritme samenvalt met dat van de prikkel
Bij gewoonte- of reflexhandelingen komt het ritme van de reactie veel nauwer overeen met het ritme van de prikkel dan bij bewustere reacties. Bij het zwaaien van een wandelstok of het bedienen van een halfautomatische machine passen de lichaamsbewegingen zich vanzelf aan het ritme van de prikkeling aan. Dat is nog sterker bij zeer ingesleten activiteiten als koordans, pianospelen of typen. Maar hoe bewuster de handeling wordt, hoe meer die vanzelfsprekende overeenkomst tussen het ritme van prikkel en reactie uiteenvalt. Laat de danseres zich plotseling bewust worden van haar passen, de typiste van de toetsen, de pianist van zijn noten, en het ritme is verbroken. Gratie verandert in houterige onhandigheid, snelle precisie in aarzelend geklungel. Mensen die veel zelfbewustzijn tonen terwijl ze reageren, zijn berucht onhandig in spel of beweging waarbij het ritme van het lichaam nauw moet aansluiten bij dat van de prikkel. Het toegenomen bewustzijn lijkt de overeenkomst tussen beide ritmes te verstoren.
4. Hoe bewuster een reactie, hoe minder haar sterkte samenvalt met die van de prikkel
Binnen grenzen komt de sterkte van eenvoudige reacties, met weinig bewustzijn, redelijk overeen met de sterkte van de prikkel. Een zanger zingt onbewust luider als het pianospel aanzwelt. Bij het lopen passen we onze bewegingen onbewust aan kleine verschillen in de druk van het pad aan. Maar bij reacties met veel bewustzijn kan er weinig of geen overeenkomst zijn tussen de sterkte van prikkel en reactie. Bij de jonge psychiater in spe was de toevallige opmerking over zijn mogelijke afwijking een prikkel van geringe sterkte. Dezelfde opmerking was waarschijnlijk over bijna al zijn vrienden gemaakt zonder enig gevolg, en toch maakte ze in dit geval een hoeveelheid bewuste energie los die duizenden keren sterker was dan de prikkel zelf.
Soms vermindert toegenomen bewustzijn de sterkte van de reactie juist, zoals wanneer de zanger denkt: de piano is te luid, ik zing pianissimo en dwing hem mij te volgen. Of de reactie wordt actief geremd. Een voorbeeld is het volledig wegvallen van een handeling door even na te denken na een irritante prikkel. Het ene kind geeft het andere een flinke klap. Indachtig de oude raad tel tot tien voordat je terugslaat, merkt het geslagen kind dat het na tien tellen helemaal geen zin meer heeft om terug te slaan. Bewust nadenken heeft de reactie op een sterke prikkel volledig weggenomen. Bewustzijn verandert dus duidelijk de overeenkomst tussen de sterkte van prikkel en reactie.
5. Hoe bewuster onderdrempelige prikkels, hoe sterker ze de neiging hebben op te tellen
Een prikkel die weinig of geen bewustzijn opwekt en te zwak is voor een reactie, leidt zelden tot die reactie, ook al wordt hij vaak herhaald. Tijdens mijn eerste twee jaar in New York passeerde ik het Metropolitan Museum zeker honderd keer met de bus of auto, zonder ooit aanstalten te maken naar binnen te gaan. Een metgezel had het me vroeg eens aangewezen, en ik had de gewoonte gekregen die kant op te kijken bij het passeren. Maar die latere visuele gewaarwordingen, al stuurden ze mijn oogbewegingen, wekten geen enkele gedachte of gevoel over het gebouw op. Kortom, het zien van het museum was een vrijwel onbewuste prikkel, te zwak om de reactie van naar binnen gaan op te roepen, en eindeloze herhaling bracht die reactie niet teweeg.
Na ruim twee jaar in de stad raakte een gast van elders in mijn bijzijn uitgebreid over de wonderen van het Metropolitan. Die prikkel wekte mijn belangstelling, en ging gepaard met veel bewuste gedachten, maar bleek toch te zwak om me naar het museum te krijgen. Ruim een maand later sprak een andere vriend zijn enthousiasme erover uit, wat nog meer bewustzijn opriep. Die prikkel, opgeteld bij de eerste bewuste prikkel, stuurde mij naar het museum. Het lijkt me hoogst onwaarschijnlijk dat de talloze gewoonteblikken hebben bijgedragen aan de uiteindelijke optelling van energie, of dat nog eens twee jaar dagelijks langs het gebouw rijden me erin had gekregen. Twee prikkels die veel bewustzijn opwekten, telden zich bij elkaar op tot een reactie, terwijl honderd nauwelijks bewuste prikkels datzelfde niet teweegbrachten. Je kunt dagelijks maandenlang onbewust naar een winkel kijken zonder binnen te gaan. Verschijnt er dan een bewegend reclamebordje in de etalage, dan word je je even bewust van een vraag hoe het werkt, en op de derde of vierde dag ga je naar binnen en koop je wat het bordje aanprijst. Bewust ervaren prikkels tellen zich bij herhaling sneller en effectiever bij elkaar op dan onbewust opgevangen prikkels.
6. Hoe bewuster een reactie, hoe meer ze aan vermoeidheid onderhevig is
Hoe meer bewustzijn een activiteit vergezelt, hoe sneller de vermoeidheid intreedt, of het nu om denken gaat of om zware lichamelijke inspanning. Menig hardloper voelde zich wonderbaarlijk opgefrist door iets langs de weg dat zijn aandacht van zijn eigen beweging afleidde. Zijn vermoeidheid neemt af zodra het bewustzijn rond zijn lopen afneemt. Wie voortdurend wetenschappelijk denkt, kan zijn aandachtsspanne vergroten en zijn geestelijke vermoeidheid verminderen door tijdens het denken niet op zijn eigen denken te letten, en zo mogelijk de helft van het begeleidende bewustzijn weg te nemen. Lichamelijke vermoeidheid door spierafvalstoffen komt natuurlijk onvermijdelijk, maar de onvermoeibaarheid van een goed getraind lichaam is verbluffend wanneer de taken als vanzelfsprekend en zo onbewust mogelijk worden verricht. De uithoudingsprestaties van pioniers en inheemse volken zijn daar voorbeelden van. Waar veel bewustzijn is, is ook veel vermoeidheid, en de grenzen van onbewuste activiteit zijn moeilijk te bepalen.
7. Hoe bewuster een reactie, hoe wisselender de drempelwaarde van haar prikkel
Bewustzijn maakt ook minder voorspelbaar hoe sterk een prikkel precies moet zijn om de reactie op te roepen. Eenvoudige reflexen zijn meestal op te wekken met prikkels van ongeveer gelijke sterkte. Er is wel enige speling: de kniepeesreflex wordt prikkelbaarder tijdens sterke hongersamentrekkingen van de lege maag, maar dat verschil is alleen in het laboratorium te meten. Iets complexere maar nog onbewuste handelingen hangen van een bepaalde prikkelsterkte af. De onbewuste reactie op het bestemmingsbord van de tram blijft vaak uit als de verlichting iets wordt gedimd. Mensen houden een tram niet aan omdat de letters voorop kleiner zijn dan ze gewend zijn. Een machinist die op een bepaald geluid afgaat om te schakelen, mist zijn moment als dat geluid iets zachter klinkt. Een huisvrouw die op het borrelen van de koffie afgaat, zet het apparaat niet op tijd uit als dat geluid minder hevig is dan gewoonlijk.
Bij sterk bewuste handelingen is er geen vaste prikkelsterkte aan te wijzen die de reactie altijd oproept. Neem een beslissing om te gaan tennissen of een rit van driehonderd kilometer te maken. De ene dag stemt iemand meteen in met een terloops voorstel, de volgende dag is geen overreding of zelfs vergoeding genoeg om dezelfde reactie op te roepen. Worden zulke handelingen gewoonte, dan daalt het bewustzijn eromheen sterk, en daarmee ook de speling in de prikkelsterkte. Het kernpunt is: bij veel bewustzijn kan dezelfde reactie de ene keer door een zeer zwakke prikkel worden opgeroepen en de andere keer een zeer sterke vergen, terwijl een gewoontehandeling steeds door prikkels van vrijwel gelijke sterkte wordt teweeggebracht.
8. Hoe bewuster een reactie, hoe makkelijker ze te remmen is
Sterk bewuste handelingen zijn gemakkelijker te remmen dan handelingen met weinig bewustzijn. Een liefdesreactie die het bewustzijn van een jonge vrouw dagen of weken heeft beziggehouden, wordt vaak volledig geremd door een toevallige frons of een ongeduldig gebaar van de geliefde. De felste, langdurige plannen van een volwassen man kunnen op een beslissend moment even gemakkelijk worden onderbroken, ook al is de storende prikkel niet sterker dan de afkeuring van een partner. Gewoontehandelingen als lopen of je weg vinden door het drukke verkeer van een grote stad worden daarentegen door de hevigste prikkel, zoals een zakelijk faillissement of het verlies van een geliefde, niet in het minst geremd. Ze worden alleen geremd wanneer ze door een luide claxon in het bewustzijn worden gebracht. Wie met het mes eet, kan die gewoonte alleen afleren door zich er elke keer volledig bewust van te maken. En wie een taak verricht waarbij hij elke zet moet bedenken, kan door een enkele opmerking van een ander de reactie geheel laten stokken. Bewustzijn gaat dus samen met gemakkelijke remming.
9. Hoe bewuster twee reacties, hoe sterker ze elkaar helpen of hinderen
Eenvoudige reflexen met weinig bewustzijn lijken weinig beinvloed te worden door andere reacties die toevallig tegelijk plaatsvinden. Sterk bewuste reacties worden daarentegen makkelijk geholpen of gehinderd door extra bewuste handelingen. Een geliefd experiment onder psychologiestudenten is jezelf leren automatisch te schrijven terwijl je sommen maakt of een oppervlakkig gesprek voert. Eenmaal geleerd, lopen twee zo onbewust mogelijke processen tegelijk, zonder elkaar merkbaar te beinvloeden. In het dagelijks leven zie je hetzelfde: iemand kan vlot over koetjes en kalfjes praten terwijl hij suiker in zijn thee doet, en een chauffeur stuurt, schakelt, geeft gas en bedient de koppeling vaak allemaal tegelijk, zonder onderlinge hinder.
Maar wat gebeurt er als een reactie veel bewustzijn vergt? Stel dat twee onderzoekers verdiept zijn in een gesprek over de apparatuur voor een proef. Een derde student brengt een apparaat binnen dat hij zelf heeft gebruikt. Het bekijken ervan vergt een nieuwe, ingewikkelde reeks reacties. Toch zullen die zich op de een of andere manier vermengen met het lopende gesprek. Past het apparaat bij de plannen, dan zwelt het gesprek meteen merkbaar aan. Brengt het onverwachte problemen aan het licht, dan botst de nieuwe reeks met de vorige, zichtbaar in aarzeling, discussie en onenigheid. Het is onwaarschijnlijk dat het bekijken van het apparaat geheel los van het gesprek kan verlopen. Wanneer lopende reacties veel bewustzijn aan zich binden, blijkt het meestal onmogelijk er tegelijk een nieuwe bewuste reeks bij te doen zonder elkaar te helpen of te hinderen. Hoe bewuster twee reacties zijn, hoe waarschijnlijker dat ze elkaar remmen, versterken door bondgenootschap, of door conflict in efficientie verminderen.
10. Hoe bewuster een reactie, hoe makkelijker ze door middelen wordt weggenomen of versterkt
Sterk bewuste reacties zijn met middelen volledig weg te nemen, terwijl reflexen met weinig bewustzijn onder een matige dosis verdoving nauwelijks afnemen. Bij ether worden eerst de reacties met het meeste bewustzijn uitgeschakeld. De onbewuste reacties lopen vrijwel ongehinderd door, ook nadat de patient alle verdoving heeft ingeademd die hij vrijwillig kan verdragen. Andere middelen, zoals bepaalde vormen van morfine en hennep, versterken in passende dosis juist de meest bewuste reacties enorm, terwijl ze nauwelijks effect hebben op het onbewuste gedrag. De sterk verbeeldingsrijke geschriften van De Quincey gelden als voorbeeld van intens bewuste reacties die, naar zijn eigen verslag, door zulke middelen sterk werden versterkt. W. W. Smith liet zien dat matige doses alkohol een alles, of, niets-effect hebben op de emotionele reacties: de sterk affectieve, zeer bewuste reacties vergen een veel sterkere prikkel om opgeroepen te worden, maar als ze eenmaal optreden, is hun hevigheid buiten verhouding tot de prikkel. Middelen oefenen hun invloed, in welke richting ook, het duidelijkst uit op de reacties met het meeste bewustzijn.
Samengevat zijn er tien gemakkelijk waarneembare, objectieve veranderingen in het menselijk gedrag die gelijk opgaan met een gemeld toenemend bewustzijn: een tragere reactie, een langer aanhouden nadat de prikkel weg is, minder overeenkomst tussen het ritme van reactie en prikkel, minder overeenkomst tussen de sterkte van reactie en prikkel, een sterkere neiging van zwakke prikkels om zich op te tellen, snellere vermoeidheid, een wisselender drempelwaarde, makkelijker remming, sterkere onderlinge hulp of hinder van gelijktijdige reacties, en een grotere gevoeligheid voor middelen.
Net als de vonken van Benjamin Franklins vliegertouw onthullen deze tien gedragsveranderingen een bepaalde, nog niet beschreven vorm van energie. Is die energie hetzelfde als bewustzijn? Er bestaat een logische mogelijkheid die we niet over het hoofd mogen zien: dat de genoemde effecten toe te schrijven zijn aan dezelfde vitalistische oorzaak die tegelijk het bewustzijn voortbrengt, in plaats van aan het bewustzijn zelf. Maar dat is meer een filosofische dan een psychologische kwestie. Alle genoemde effecten moeten, gezien hun stellige aard, aan een vorm van krachtige energie worden toegeschreven, en of die energie het bewustzijn veroorzaakt of het bewustzijn is, is voor de wetenschap een woordenkwestie. De tweede formulering is eenvoudiger en nauwkeuriger.
Als er dus ergens in het organisme een beschrijfbare vorm van energie bestaat die het gedrag op de genoemde manieren beinvloedt, en als die energie steeds gelijktijdig met het bewustzijn verschijnt, dan mogen we voor psychologische doeleinden stellen dat die energie het bewustzijn is. Denk aan een vergelijking. Bij de elektrolyse van water zijn twee verschijnselen waarneembaar: het vrijkomen van waterstof en het vormen van belletjes op de elektroden. Een tijdlang lopen ze parallel, en je zou de fout kunnen maken het ene aan het andere toe te schrijven, in plaats van beide als gevolg van een gemeenschappelijke oorzaak, de stroom, te zien. Na korte tijd echter hinderen de belletjes de stroom enigszins, zodat er minder waterstof vrijkomt naarmate er meer belletjes zijn. Die verandering in de verhouding verraadt meteen dat er een gemeenschappelijke oorzaak gezocht moet worden. Voor zover mijn onderzoek laat zien, is er geen aanwijzing dat de parallel tussen symptomatisch gedrag en bewustzijn op zo'n manier verandert. Bij een volledige overeenkomst tussen beide is de kans groot dat bewustzijn en die krachtige energie identiek zijn.
Niet in de zenuwcel zelf
In het kort, in onze taalHet bewustzijn zit volgens hem niet binnen de zenuwcel, maar ergens anders in het systeem.
Bewustzijn is geen energie binnen de zenuwcel
Wat is de aard van die bewuste energie, en waar is ze te vinden? De eenvoudigste suggestie is dat bewustzijn, fysiek gezien, gewoon energie binnen de zenuwcel is. Gevraagd waarom sommige reacties veel bewustzijn bevatten en andere weinig, antwoorden de fysiologen die hier graag van uitgaan dat alleen in de hoger ontwikkelde hersendelen voldoende zenuwenergie, of voldoende intensiteit, samenkomt om bewustzijn voort te brengen. Sommigen opperen dat er ergens in de hersenen een bijzondere zenuwcel zit die bewuste energie maakt, maar zo'n cel, wezenlijk anders dan de neuronen elders, is nooit gevonden. Dat is dus pure speculatie. Wat dan van het idee dat een voldoende massa zenuwprikkels op zichzelf het bewustzijn vormt?
Komt de geleiding door de zenuwstreng werkelijk overeen met bewustzijn? Daar staan veel bezwaren tegenover. Het belangrijkste: de tien genoemde effecten van bewustzijn hebben hun fysieke grondslag helemaal niet binnen de zenuwcel, maar bij de synaps. Sherrington noemt diezelfde tien effecten, en nog enkele, als eigen aan de reflexboog en niet aan de gewone zenuwstreng. Het kenmerk van reflexgeleiding is juist dat er synapsen in de keten zitten. Daar gebeuren de dingen die de genoemde effecten voortbrengen. Dus: hoe minder synapsen in een keten, hoe minder de voor bewustzijn typische effecten optreden.
Eenvoudige reflexen, met het minste bewustzijn, bevatten juist het grootste aandeel verstoringen binnen de zenuwstreng en de minste synapsen. Als die strengprikkels werkelijk het bewustzijn vormen, dan spreken bewijs en theorie elkaar volledig tegen. Waar het minste bewustzijn optreedt, vind je de meeste strengactiviteit, en omgekeerd. Het lijkt dus onmogelijk om bewustzijn te omschrijven als de energie binnen eenvoudig zenuwweefsel, want daar zitten de mechanismen voor de meest kenmerkende bewustzijnseffecten niet. Bovendien kunnen dezelfde zenuwstrengen voor meerdere doelen worden gebruikt. Volgens de alles, of, niets-wet reageert elke vezel volledig of niet. Als verschillende eenheden bewustzijn uiteindelijk via verschillende paden over korte stukjes zenuwstreng ontstaan, hoe konden ze dan sterk van elkaar verschillen terwijl het grootste deel van hun loutere strengbestanddelen identiek was? Pijnprikkels reizen aanvankelijk over dezelfde zenuwen als koude, druk, gehoor en zicht, die in het bewustzijn juist heel verschillend zijn.
Ten derde blijken vaak verschillende neuronen identieke bewustzijnselementen voort te brengen. De herinnering aan de kleur rood, of aan een vioolklank, kan in het bewustzijn niet te onderscheiden zijn van de oorspronkelijke gewaarwording, terwijl prikkels niet achterwaarts over de aanvoerende banen kunnen reizen. De prikkels achter de herinnerde gewaarwording moeten dus sterk verschillen van die van de oorspronkelijke. Bestond bewustzijn uit het totaal van de betrokken prikkels, dan zou herinnerd rood wezenlijk moeten verschillen van waargenomen rood, want de oorspronkelijke gewaarwording bevat de hele lange oogzenuwstreng-energie die de herinnering mist. Toch is dat verschil er niet.
Ten vierde gebeurt de eigenlijke verbinding tussen zenuwcellen per definitie in de synaps, buiten het binnenste van de cellen. Een stroom van bewustzijn kan dus niet aaneengesloten zijn als je hem zou opvatten als veranderingen binnen een zenuwcel, want telkens wanneer een prikkel van cel naar cel overspringt, is de overdracht van een totaal andere aard. Sherrington merkt op dat het inbrengen van een scheidingsvlak of membraan in de geleider de geleiding moet wijzigen, en dat juist daar de kenmerken ontstaan die reflexgeleiding van strenggeleiding onderscheiden. Bovendien gebeuren alle samenwerkingen en conflicten tussen prikkels die een gemeenschappelijke baan zoeken grotendeels in de synapsen. Zulke bondgenootschappen en tegenstellingen zouden geen tegenhanger in het bewustzijn hebben als bewustzijn beperkt bleef tot wat zich binnen de cel afspeelt. En juist de vaak gemelde gevoelens van conflict en geblokkeerdheid, en aan de andere kant van opluchting en harmonie, lijken af te hangen van precies die uitwendige verhoudingen tussen tegengestelde en bondgenote prikkels.
Ten slotte weten we dat verschillende ritmes van prikkeling, tegelijk toegediend langs dezelfde gemeenschappelijke baan, elkaar niet verstoren. Twee prikkels die tegelijk dezelfde neuronen gebruiken, versmelten dus niet binnen die cellen. Als dat zo is, dan zou de gelijkstelling van bewustzijn met veranderingen binnen de cel al die psychologische versmeltingen en herschikkingen van bewuste elementen, die vrijwel alle waarnemers melden, volledig onverklaard laten. Als zulke versmeltingen werkelijk in de synapsen plaatsvinden, dan kan geen enkele verandering binnen de afzonderlijke neuronen er ooit bewuste uitdrukking aan geven.
Wel op het verbindingspunt
In het kort, in onze taalBewustzijn ontstaat op de plek waar twee zenuwcellen elkaar raken, de synaps. Daar gebeurt het.
Bewustzijn is synaptische energie
Uit dit korte overzicht blijkt dat er stevige bezwaren zijn tegen het omschrijven van bewustzijn in termen van zenuwprikkels. De vraag blijft dus staan: wat is bewustzijn? Eerder noemden we tien effecten die bewustzijn op gedrag lijkt te hebben, als bewijs dat er ergens in het organisme een werkzame energie met de kenmerken van bewustzijn wordt opgewekt. We zagen dat die tien effecten hun oorsprong niet in de strenggeleiding hebben, maar in wat er bij de synaps gebeurt. Sherrington noemt zo'n dertien tot veertien verschijnselen als kenmerkend voor de synaptische invloed op de geleiding: een latente periode, naontlading, verlies van overeenkomst tussen het ritme van prikkel en eindeffect, hindering van de sterkte-afstemming, optelling in de tijd, vermoeibaarheid, een wisselende drempelwaarde, remming, onderlinge hulp en conflict van prikkels, en een toegenomen gevoeligheid voor middelen, plus onder meer de onomkeerbaarheid van de prikkelrichting, een uitgesproken refractaire periode, baanvorming, schok en afhankelijkheid van de bloedsomloop.
Download de originele tekening (1928)
De eerste tien synaptische invloeden komen precies overeen met de tien invloeden die het bewustzijn op het gedrag uitoefent. Ook bij de overige synaptische invloeden is die overeenkomst gemakkelijk te vinden. Een verdere bespreking daarvan laten we achterwege om niet te technisch te worden.
Alle menselijke reacties, van de eenvoudigste tot de meest complexe, hangen waarschijnlijk af van geleiding via reflexbogen, en elke boog bevat volgens Sherrington minstens drie neuronen en dus twee synapsen. Hoe complexer de reactie, hoe complexer de betrokken bogen, en dus hoe meer synapsen er gepasseerd worden en hoe meer synaptische verschijnselen er optreden. Naarmate de boog complexer wordt, neemt het aandeel synaptische energie toe ten opzichte van de loutere strengenergie. En zoals we zagen: hoe complexer de reactie, hoe meer bewustzijn haar vergezelt. Eenvoudige reflexen en gewoontehandelingen komen tot stand met een maximum aan strengenergie en een minimum aan synaptische energie, en bevatten weinig of geen waarneembaar bewustzijn. Complexe, subjectieve reacties bevatten een maximum aan synaptische energie en een minimum aan strengactiviteit, en gelden juist als de reacties met het meeste bewustzijn.
De theorie dat bewustzijn binnen de zenuwcel zit, neemt aan dat bewustzijn alleen in de hogere hersencentra verschijnt, omdat alleen daar genoeg zenuwenergie samenkomt. Maar die hogere centra liggen in de grijze stof, en de grijze stof wordt juist gekenmerkt door een enorm aantal synaptische verbindingen. Ze bestaat vrijwel geheel uit microscopisch kleine neuronen die elk talloze synapsen vormen. De hersencentra waar sommige fysiologen het bewustzijn vermoeden, bestaan dus bijna volledig uit synaptische knooppunten. Als de fysieke basis van bewustzijn in die centra ligt, die grotendeels uit synapsen bestaan, en als de effecten van bewustzijn op het gedrag eveneens synaptisch zijn, dan leidt dat tot de conclusie dat bewustzijn samenvalt met synaptische energie.
De psychon
In het kort, in onze taalMarston noemt dat verbindingspunt de psychon. Zijn theorie is inmiddels achterhaald, maar zijn drang om gevoel concreet te maken is typerend voor het hele boek.
De psychon en de psychonische impuls
Synaptische energie is echter een wat vaag begrip. Een soort energie omschrijf je gewoonlijk door het soort materie te beschrijven waarin ze ontstaat. Het woord materie is wat uit de mode, nu men de materie zelf in termen van energie opvat. Toch blijft het een handig woord, als je er een energievorm onder verstaat die zo blijvend gevestigd is dat ze een betrekkelijk gelijkmatige ervaring oplevert. De hele natuurwetenschap gaat ervan uit dat er een soort materie in beweging is. Een samenhangende reeks veranderingen in een vorm van materie beschrijven, mag je het gedrag van die materie op dat complexiteitsniveau noemen.
De natuurkunde beschrijft het gedrag van materie in haar meest elementaire vormen, het proton en het elektron. De scheikunde begint waar de natuurkunde ophoudt en behandelt de wetten van atoom en molecuul. De biologie behandelt nog complexere eenheden, de levende organismen, met de plantkunde voor planten en de dierkunde voor dieren. Dieren zijn zo complex dat hun onderdelen het onderwerp van aparte wetenschappen worden. De fysiologie beschrijft bepaalde delen, de organen, en hun gedrag. De neurologie kiest de zenuwen, waarvan veel organen afhangen, en beschrijft hun gedrag. Bestaat er nu geen verdere materie-eenheid die het gedrag van neuronen kan wijzigen, dan is de psychologie, voor zover ik kan zien, overbodig. Zou ik daarvan overtuigd raken, dan zou ik de psycholoog tot de neuroloog moeten verhouden zoals de timmerman tot de architect, en zou ik proberen aan dat ambacht te ontsnappen door me op te werken tot mijn intellectuele meerderen.
Maar als er, zoals ik vermoed, nog een soort materie-eenheid voorbij het neuron bestaat, die haar eigen reeks veranderingen kan ondergaan, de bewuste of psychische veranderingen, en die daarmee het gedrag van neuronen kan wijzigen, dan en alleen dan is de psychologie werkelijk gerechtvaardigd om een eigen plaats onder de natuurwetenschappen in te nemen, naast de fysiologie en de neurologie.
Neurologen vertellen ons dat er bij de synapsen van alle zenuwstelsels boven dat van de holtedieren een specifieke geleidende structuur bestaat. Het wordt algemeen aangenomen, zegt Sherrington, dat de twee cellen niet werkelijk in elkaar overlopen, maar dat een oppervlak hen scheidt, en een scheidingsoppervlak is fysiek een membraan. Daar zou de zenuwgeleiding precies de kenmerken kunnen krijgen die reflexgeleiding van strenggeleiding onderscheiden. Herrick zegt dat er bij de meeste dieren boven de holtedieren een membraan is dat de neuronen scheidt. De aanwezigheid van die barriere betekent niet dat de neuronen niet in protoplasmatische samenhang staan, want het scheidende membraan is zelf levende stof. Wat ze wel aangeeft, is dat de fysisch-chemische aard van de geleidende stof bij de synaps verandert. Langley noemde die barriere het verbindingsweefsel, en aan het grote fysiologische belang ervan valt niet te twijfelen.
De fysiologen zijn het er dus over eens dat er bij de synaps een bijzondere materie-eenheid bestaat, die een bijzondere energie kan voortbrengen die wezenlijk van de zenuwprikkel verschilt. Over de precieze beschrijving van dat verbindingsweefsel zijn ze het minder eens. Bij de reuzencellen van Mauthner zijn de synapsen onder de microscoop te bestuderen. Bartelmez meldde aanvankelijk dat de knopvormige uiteinden van de axonvezels van de achtste zenuw in contact stonden met het oppervlak van de naburige cel, met een duidelijk membraan ertussen, en dat twee synaptische membranen pas energie moesten krijgen voordat de geleiding zich kon voortzetten. Marui daarentegen, die andere fixeer- en kleurmethoden gebruikte, meende kleine verbindingsvezels te kunnen volgen die door het buitenmembraan naar de naburige cel liepen, en concludeerde dat de vezels binnen en buiten de cel met elkaar in verbinding staan. Bartelmez bekritiseerde Maruis techniek en hield die verbindingsdraadjes voor kunstmatige artefacten van het fixeermiddel.
De exacte structuur van het verbindingsweefsel moet dus voorlopig onzeker blijven. Voor de hier voorgestelde theorie van het bewustzijn maakt het weinig uit of je je dat weefsel voorstelt als een paar plaatelektroden, gevormd uit de membranen van naburige vezels, of dat het later eerder met de wolfraamdraad van een gloeilamp te vergelijken blijkt. Welke waarneming ook het nauwkeurigst blijkt, het bewijs om het bewustzijn bij de synaps te plaatsen verandert er niet door.
Gezien al het bewijs stel ik het volgende voor: het geheel van energie dat in het verbindingsweefsel tussen twee neuronen ontstaat, telkens wanneer het verbindingsmembraan doorlopend wordt geladen, van de afgevende pool van de ene cel naar de ontvangende pool van de volgende, is in wezen het bewustzijn zelf.
Bij het uiteenzetten van deze theorie tijdens colleges bleek het handig om een eigen woord te gebruiken voor zo'n eenheid verbindingsweefsel. De neurologie noemt haar bouwsteen het neuron. In navolging daarvan heb ik de bouwsteen van de psychologie, die toch het psychische of bewuste gedrag bestudeert, de psychon genoemd. De voortplanting van energie op een psychon verschilt wezenlijk van de doorgang van zenuwenergie door een neuron. Een golf van fysisch-chemische opwinding die in een psychon ontstaat, mogen we daarom een psychonische impuls noemen.
Neurologen hebben vastgesteld dat de hoofdtaak van het neuron geleiding is. Mijn voorstel is dat de hoofdtaak van de psychon het bewustzijn is. Welke geleiding er ook over een psychon plaatsvindt, lijkt bijkomstig naast het grotere effect van het afremmen, regelen en wijzigen van die energie onderweg. De wolfraamdraad in een gloeilamp geleidt weliswaar wat stroom van pool naar pool, maar zijn hoofdfunctie is verlichting. Zo mogen we de psychon waarschijnlijk wel als een soort geleider van energie tussen neuronen beschouwen, maar zijn voornaamste eigenschap is naar mijn overtuiging alleen goed te omschrijven als het voortbrengen van bewustzijn.
Waar wij afwijken van Marston: zijn psychon-theorie, het idee dat bewustzijn letterlijk in de synaps wordt opgewekt, is door de moderne neurowetenschap achterhaald. Bewustzijn laat zich niet op een enkel punt lokaliseren. We nemen dit hoofdstuk mee als tijdsbeeld en als mooi beeld, niet als geldende hersenleer.
